Grote zwarte wolken komen uit mijn uitlaat als ik met Alex wegrijd bij de Sportvelden. En dat wegrijden lukt ook amper. Ik heb geen vermogen. Geef gas maar kom niet vooruit. Stop Mam, roept Alex. Ik wil de auto uit. Shit. Denk ik. Hier heb ik natuurlijk helemaal geen tijd voor. We moeten naar vrienden nu. Om gezellig te eten. Kapotte auto’s staan niet op de planning. Ik doe net als bij de computer de auto even uit en weer aan. De Blonde oplossing noemen we dat thuis. Het werkt. Hij rijdt weer.

De volgende ochtend hetzelfde verhaal. Zonder zwarte rookwolken. Geen vermogen. Ik rijd schokkend naar de garage. Berg af gelukkig in ons mooie Oosterbeek. Hoe dichter ik bij de garage kom, des te beter rijdt de auto weer. Koffie, zegt Paul als ie me ziet. Kom je even napraten over de workshop die we vorige week hadden. Vonden ze het leuk? De mensen? Jazeker vonden ze dat. 15 interimmanagers hadden we verzameld. Eerst samen in de showroom in de auto van hun keuze autoverhalen uitwisselen. Verhalen in de Kever over de Kever waarmee je vroeger over het strand reed. Samen in de De Amerikaan met de lekkere brede voorbank vertellen over je USA reizen. Ontmoeting. Verhalen delen. Samen onder de brug staan onder een auto. Ik deed het nog niet eerder. Net als een wiel verwisselen met zo’n pistool. Alsof je in de pits bij de formule 1 staat. Zo voelde het. Een beetje. Iedereen was blij. Geweldige avond. Gaan!!

Ik drink koffie en Paul kijkt naar mijn auto. Samen met alle andere mannen van de garage. Het zou de Turbo kunnen zijn ja. Maar ja. Nu zien we niks. Laat maar ff hier nog. Ik krijg het kleine Schoot  autootje mee voor naar huis. De volgende dag bellen ze. Niks gevonden. Neem maar mee. Kijk het maar even aan. Kijk het maar even aan? Niks doen? Het even niet weten? Niet echt zinnen waar ik iets mee kan.Oplossen. Doen. Aangaan. Das meer mijn taal. Niet dus. Niet hier.

De Turbo doet raar. Mijn eigen Turbo doet ook raar de afgelopen weken. Ik herken het. Het lijkt soms ook wel te komen bij het begin van de lente. Dat ik steeds vol gas wil. De wind door mijn haar wil voelen. In mijn stoel gedrukt worden. Adrenaline. Gaan. Hard. Harder. Er vol in. In alles. In Werk. In Liefde. In Lievelings. In alles. Om vervolgens na van die heerlijke dagen en momenten en ontmoetingen de week erna ineens geen vermogen meer heb. Dat ik het gas vol in trap. Maar dat ik dus helemaal niet vooruit ga. Gewoon stil sta eigenlijk.  De zwarte rook komt nog net niet uit mijn oren. Wel soms uit de oren van de mensen om mee heen. Het kan wel eens overweldigend zijn. Al dat voluit gaan. Dat weet je als andere mensen ineens voor jou op de rem gaan staan. Wat doe je nu dan? Roep ik. We gingen net zo lekker! Ja. Jij wel. Ik niet. Dus.

Daar sta ik dan. In mijn eentje. Omdat de ander is uitgestapt. Klaar met jouw Turbo. Vol in de remmen.

Je zit in “je overdrive” van Kolfschoten, zegt Bootje tegen. Misschien even in “de reverse”. Even rust nemen. Ruimte. Kleinere bewegingen. Daar zit ook kracht. Je subtiele kracht. Niet steeds die Turbo intrappen.

Ik denk aan de paarden. Met een paard los in de bak in het mooie Drenthe. Verbinding zien te krijgen. Bij mij gingen ze er meteen vandoor op het moment dat ik mezelf op AAN zette. Volle galop. Wel lekker wakker. En spannend. En gaaf. Spectaculair. Dat wel. Maar dit tempo kun je niet vol houden. En dat dwingend pushen ook niet. Daarmee gaan ze uit de bocht, de paarden. De verbinding kwam pas als ik ruimte gaf. En vooral ook als ik rust pakte. Even stilstaan. Kijken. Niks doen. Voelen.

Even aankijken. In plaats van steeds maar doen en voluit gaan. Rustig aan. Niet iets gaan aanpakken en oplossen als je nog niet eens weet wat het is. Even aankijken.

Nog twee weekjes hier.  Daarna vliegen we naar Sicilie. Waar behalve in de ring rondom Palermo, niemand in de overdrive of turbo gaat. Oude mannetjes op bankjes in de schaduw. Pasta Vongole op een terras. Zitten. Kijken. Aankijken. Niks doen.

Bekende plek. Vaderland. Zon. Zee. Rust. Ruimte. Lievelingsland.

 

Advertenties